Een nogal theoretische maar wel belangrijke multiple-choicevraag. Van Columniste Louise Cornelis.
Stel, je bent de sterkste van een groep fietsers. De groep is aan het toeren of een beetje aan het trainen, en er staat daarbij niets belangrijks op het spel.
A. Je bent zo euforisch dat je de sterkste bent, dat er niets anders in je omgaat dat dat: Kijk mij eens, ik ben de sterkste!
Je rijdt zo veel mogelijk op kop en je straalt van begin tot eind. Dat na dat eind een paar zwakkere groepsgenoten mopperen dat er niemand op of om keek en dat ze dus de hele tijd aan het elastiek hebben gehangen, komt als een verassing. Je vind dat eigenlijk maar gezeur. Je bent voor de gelegenheid totaal vergeten hoe het is om het maar amper bij te benen.
B. Je denkt: Als ik de sterkste ben, zal ik de rest eens een poepie laten ruiken, en je geeft vol gas. Als er één kop over kop 33 kilometer per uur rijdt, dan neem jij met 34 over en daarna ga je door met 35-36 en als het kan.... Ja, het gaat super! Na de bochten ga je meteen op de pedalen staan en stuif je er vandoor. Je kunt nog net door oranje, en achter je redden ze zich maar. Dat de halve groep afhaakt en op eigen gelegenheid terugfietst, vind je eigenlijk wel leuk. Jij rijdt de halve groep eraf, zo goed ben je.
C. Je werpt je op als wegkapitein en rijdt de hele tocht op kop. Dat kan immers makkelijk met jou benen. Je houdt het tempo strak en als er iemand het in zijn hoofd haalt om te demarreren, sprint je er achteraan om die idioot tot de orde te roepen. Regelmatig kijk je om of het hele groepje nog netjes in jou kielzog rijdt. Na afloop klagen de sterke mannen dat ze niet hebben mogen dollen en dat het tempo te laag was. Maar daar lach jij om. Jij weet wel wie de sterkste was.
D. Met wat jij over hebt, kun je de zwakkeren helpen. Elke keer als er iemand op een gaatje is komen zitten, laat jij je afzakken en zorg je ervoor dat hij/zij in jouw wiel kan terugkeren in het groepje. Dan blijf je er nog even naast rijden voor een bemoedigend woord en/of een gezellig praatje. Soms rijdt je er een paar meter achter, om de groepsgenoten die eraf waaien op te kunnen bezemen. Als het moet, sprint je naar de kop om te vragen of het wat rustiger kan. Aan het eind hebben de sterke mannen je amper gezien, maar die ene dame achter in de groep is verliefd op je geweorden.
Mocht je je in antwoord A of B herkennen, dan heb ik, hangend aan het elastiek, één verzoek. Kijk aub af en toe eens om! Of nog beter: laat je eens afzakken. Daar wordt je heus niet minder sterk van.
Bron: Colum Louise Cornelis. Columniste van het blad Fiets